Over Westenschouwen

De TOREN van WESTEN-SCHOUWEN 1743."Kopergravure uit circa 1750 door Henry Spilman.
Tekenaar: Cornelis Pronk in 1743.

De toren bleef staande en ten opzichte daarvan zijn nog een paar bijzonderheden mede te delen.
Met verwondering kon men namelijk opmerken, hoe zonderling het bliksemvuur eens zijne kracht op dezen toren uitgeoefend had, want men zag ongeveer ter halver hoogte een smal stuk muurwerk, wellicht ter lengte van een meter, aan de eene zijde uitgerukt en tegen den noordoostenlijke hoek als 't ware aangeplakt.

 

 

Eene andere bijzonderheid was bij landlieden in de omtrek algemeen, bij wijze van overlevering bekend, doch werd veelal voor een verdichtsel gehouden; maar is bij onderzoek gebleken, dat dit voorval werkelijk heeft plaats gehad.
In den zomer van 1798 liep een kalf, dat op het kerkhof graasde en eenige personen gejaagd werd, den door den tijd genoegzaam vernielden wenteltrap des torens op, tot op waar men nog duidelijke sporen zag van de eerste verdieping en zoldering, en sprong van die vrij aanmerkelijke hoogte uit een venstergat naar beneden. Door een toeval viel dit kalf op een ander, dat terstond dood bleef, terwijl de klimmer er zonder letsel afkwam en weldra weer grazen ging, alsof er niets voorgevallen ware.

Westenschouwen bezat, als zelfstandige heerlijkheid, zijn eigen rechtbank, bestaande uit een baljuw, vijf schepenen en een secretaris, die hunne bijeenkomsten te Haamstede hielden. Dit rechtsgebied strekte zich uit over geheel Westland, den polder de Meipacht en het oude, geheel door de zee verzwolgen Nieuwland.
Vóór en naast Westenschouwen lag nog eene heerlijkheid met dorp en parochiekerk, genaamd Clauskinderkerke, welke op 7 October 1472 overstroomd zijnde na den vloed van 14 December 1511 geheel buitengedijkt werd.

Langen tijd behoorde de heerlijkheid Westenschouwen aan de ambachtsheeren van Haamstede.
Sedert 1677 echter kwam het door koop in bezit van den raadspensionaris van Zeeland Pieter de Huybert, in 1678 werd het genaast door Jacob de Witte, heer van Haamstede, wiens dochter Cecilia de Witte het ten huwelijk bracht aan Jan de Huybert, Hun zoon Mr. Adriaan de Huybert, die veeltijds vertoefde op de buitenplaats Molenberg onder Westenschouwen, liet het in 1751 na aan zijne zuster Maria Adriana de Huybert, wed de Buvry. Deze liet de heerlijkheid in 1769 bij testament na aan haar neef Mr. Jan van Vrijberghe. In 1789 volgde hem zijn zoon Jan Francois van Vrijberghe ( sedert Maart 1842 jonkheer) op. In 1845 kwam het in het bezit zijner weduwe Geertruida de Wit en na haar overlijden in 1866 aan haar oudsten zoon Jhr.Mr.J. van Vrijberghe van Westenschouwen.

Op alle gebieden waren zij de vertegenwoordigers van de graaf en de verdedigers van zijn rechten. In de eerste plaats waren zij gerechtelijke en politie-ambtenaren, belast met de ordehandhaving en de misdaadbestrijding in hun ambtsgebied. Als vervolgingsambtenaren spoorden zij de misdrijven op en traden voor de rechtbanken op als openbare aanklagers.
Zij waren zelf geen rechters, maar waakten over de objectiviteit van de rechtbanken, inden voor rekening van de graaf de gerechtelijke boeten en zorgden voor de correcte uitvoering van de vonnissen. Overigens was een baljuw geenszins verplicht vervolging in te stellen: hij kon met de beschuldigde een compromis sluiten, waarbij deze door het betalen van een zeker bedrag buiten vervolging werd gesteld. Dat gaf wel eens aanleiding tot misbruiken.
De baljuw was ook een financieel ambtenaar: de inkomsten die hij boekte voedden in aanzienlijke mate de grafelijke schatkist. In zijn rechtsgebied maakte hij ook de grafelijke verordeningen bekend en waakte over de uitvoering ervan. Bij de uitoefening van zijn macht werd hij bijgestaan door ondergeschikten, en door een militie van "serjanten", "vanghers" of "cnapen". Hoogst uitzonderlijk werd de baljuw met zijn militie belast met beperkte militaire operaties. In Holland was de baljuw ook met de zorg voor de waterkering belast.