Over Westenschouwen

Westenschouwen!

't Zal u rouwen,

Het ontrooven mijner vrouwe;

Westenschouwen zal vergaan,

Slechts de toren blijven staan.

Zóó had de verbolgen meerman gesproken, wiens wederhelft door visschers der bloeiende handelsplaats was gevangen.
De voorspelling werd bewaarheid. De hand vol zand, door den zeebewoner neergeworpen voor de diepe haven, groeide aan tot tot eene ontzag-lijke plaat, zóó den toegang afsluitende, dat na korten tijd geen hulk of buis meer door de "verslijmde geulen" binnenvaren kon.

Met het afnemen der haringvisscherij, de harinckteelt, begonnen ook handel en vertier te kwijnen en het sinds onheuglijke jaren bekende bloeiende zeedorp aan de breede Roompot (Romanus portus) was in het midden der zestiende eeuw reeds zóó vervallen, dat er nauwelijks tien huizen meer over waren.
We mogen veronderstellen, dat alle lezers in Schouwen en Duiveland het bovenstaande verhaaltje, minder of meer gevarieerd, hebben gehoord.

Reconstructie van de kust en de haven van Westenschouwen 1400-1500, met veronderstelde bebouwing, havengeul en spuikom of houwer. (UvA Kaartenmakers, Castricum; Beekman 2007)

Het is de eenige legende die Schouwen rijk is, en zoo er uit dit volksverhaal iets te putten valt, dat de waarheid nabijkomt, dan gelooven we, dat het de aanduiding is van het snelle verval van Westenschouwen. Dit toch ligt niet onduidelijk in de omstandigheid, dat men buitengewone wezens voorstelt als te hebben teweeggebracht, wat zonder hen niet of althans niet in een zoo kort tijdsbestek zou hebben plaats gehad.
Dat die buitengewone wezens meermannen, meerminnen en dergelijken zijn, is een naklank uit de vroege dagen van Zeelands geschiedenis, toen de watervereering met haren myten nog aan de orde van den dag was.
Wellicht zijn uit dien grijzen voortijd afkomstig de dolfijn in 't wapen van Walcheren, de griffioen in dat van Wolfaartsdijk en de meerminnen in dat van Schouwen, welke ook reeds in 't begin der 15e eeuw voorkomen als schildhouders van het wapen van Zierikzee en als zoodanig nog te vinden zijn op de omstreeks 1550 gegoten klokken van den stadhuistoren en aan den in 1651 gemaakten voorgevel der Kleine Kerk boven de Beurs alhier.


De gedachtenis aan Westenschouwen werd nog tot de helft dezer eeuw levendig gehouden door het overblijfsel van den kerktoren, welke belangwekkende ruine aan de schoone, maar stille en afgelegen landouw een romantisch aanzien gaf.
In September 1845 evenwel is deze bouwval ten bate der gemeentekas van Burgh, waarmee Westenschouwen sedert 1816 vereenigd was, voor afbraak verkocht en het daarvan komende puin aan de zeeweringen der provincie gebruikt.
Daardoor was het laatste overblijfsel dezer eens zoo bloeiende plaats verdwenen en bleef de naam alleen nog behouden als die eener heerlijkheid.

Laat ons hooren wat de geschiedenis van dit verdwenen dorp weet mee te deelen.
Reeds in de derde eeuw onzer jaartelling, toen de hooge duinstreek van Schouwen nog het eenig droogliggende en bewoonbare deel van ons eiland was, vond men aan den breeden mond van de rivier, die later Schelde genoemd werd, eene vesting of sterkte der Romeinen (Romanus portus), waaraan zeer waarschijnlijk de Roompot zijn naam heeft te danken. Gevonden munten uit dien tijd wijzen op een druk handelsverkeer, dat met Engeland plaats had, waartoe ook de ligging bijzonder gunstig was. Eeuwen gaan voorbij, voor men de plaats meer bepaald aangeduid vindt.

Uit een stuk van 1296 blijkt, dat het toen bekend stond als het dorp Taleboutseinde, welke naam wel in verband zal staan met Palevoetsheide, de lage moerassige streek in de duinen, waar in 1304 zooveel verslagen Vlamingen werden gevangen genomen. In eerstgenoemd jaar behoorde het dorp aan Jan van Renesse, die toen tolvrijheid voor de inwoners ervan bekwam door al de landen van Jan van Brabant. Zeer nam de bloei van Westenschouwen toe, toen na het verval van Dreischor de schippers uit Zierikzee hier eene veilige ligplaats vonden.

De kroniekschrijver Reigersbergh verhaalt, dat het in de middeleeuwen eene der vermaardste havens van Zeeland was, vanwaar vele koopvaarders oost en west plachten te varen; de visscherij bloeide er, en er voeren meer haringbuizen af, dan van eenige haven van Walcheren; de heuden, koggen,bulken en buizen, waarmede deze handel en vesscherij gedreven werd, werden daar ter plaatse gebouwd en uitgerust. In die goeden jaren telde men er niet minder dan acht en twintig rijnschen-wijnherbergen, waaruit men kan opmaken, dat deze plaats door een groot aantal vreemdelingen werd bezocht.

Dat Westenschouwen reeds in 1438 eene plaats van zeker gewicht was, kan daaruit blijken, dat toen in dat jaar eenige ingezetenen van Antwerpen, uit Hamburg en de Oostzee komende, in den oorlog van Holland en Zeeland met de oosterlingen, door die van Westenschouwen schade waren toegebracht, de regeering van Antwerpen met Zierikzee en Westenschouwen deswegen een overeenkomst sloot. Destijds had men er de vaart tot Spanje en Portugal uitgebreid, wat toen iets buitengewoons was.


In 1473 verleende Karel de Stoute aan die van Westenschouwen een octrooi tot vermeerdering hunner weekmarkten, alsook van allen koophandel en vergunde hun een zegel te doen vervaardigen om daarmede te bevestigen hetgeen hunnen handel mocht vereischt worden; terwijl in dat zelfde jaar de Engelsche Koning Eduard IV hun vrije vaart en handel in alle gewesten en havens van zijn koninkrijk vergunde.

Dat was de bloeitijd. Maar het verval kwam zeer snel binnensluipen, wat tengevolge had, dat vele aanzienlijke inwoners en reeders hunnen zetel naar Zierikzee overbrachten, gelijk dit bekend is van het vermogende, nu uitgestorven, geslacht de Huybert en van de evenzeer aanzienlijke, nog bestaande familie Cau.


In 1548 vond men er nog eene dreef van boomen, leidende naar de kerk, die toen nog goeden staat was, terwijl het aantal huizen maar tien meer beliep. Vroeger was die dreef eene straat met schoone huizen bezet, waarin de fraaiste kelders gevonden werden als ware het eene stad geweest. Ongeveer eene halve eeuw later was de kerk reeds een bouwval geworden, zodat de regeering van Brouwershaven verzocht, om aldaar materialen te mogen halen tot opmaking harer poorten, welk verzoek echter door de Staten van Zeeland in hunne zitting van 23 maart 1591 werd afgeslagen.